Fanshop Tickets
De Club

Ladinsky was ‘sehr stolz’ op Feyenoord-periode

In februari 1972 debuteerde de Hongaarse vluchteling Attila Ladinsky voor Feyenoord. 45 jaar na dato zocht Feyenoord Magazine de voormalige spits op in Hongarije. ‘Ik vloog op mijn proeftraining alleen maar door de lucht, boemboem, en daar ging ik weer,’ blikte de deze week overleden Ladinsky in 2017 terug op de start van een bijzonder avontuur.

Het is een warme dag in Pest. We wachten in de heuvels voor de stamkroeg van Attila Ladinsky: Trombitas Taverna. Zouden we hem herkennen? Hij is inmiddels 66 jaar. Dan komt hij de hoek omzetten, onmiskenbaar. Als een filmster kuiert hij over het brede trottoir. Getaand gezicht, lang grijs haar, zonnebril en een smetteloos wit linnen pak, met daaronder een fel rood shirt en rode schoenen. Uit de verte lijkt het op het Ajax-tenue. Wanneer we handen schudden en hem daarop attenderen, doet hij zijn zonnebril omhoog en kijkt ons bestraffend aan en zegt: ‘Nee, Feyenoord!’ en hij wijst op het Feyenoord-speldje dat op zijn revers zit. 

Vlak voordat we de kroeg binnenstappen vertelt Attila met grote gebaren over zijn drankgebruik van vroeger. In de middag bier, veel bier, en ‘s avonds whisky. ‘Maar nu drink ik niet meer. Al twee jaar niet meer.’ Hij kreeg hartproblemen en de dokter zei dat als-ie oud wilde worden de alcohol moest afzweren. ‘Ik ben radicaal gestopt, maar niemand geloofde me. De baas van mijn stamkroeg heeft nog een half jaar lang elke dag een glaasje schnaps voor mijn neus gezet.’ Hij schudt meewarig het hoofd. 

In de kroeg wordt Attila met egards ontvangen, krijgt centraal een tafeltje toebedeeld en bestelt een groot glas limonade. Hij is verguld met het cadeautje dat we voor hem hebben meegenomen: het Feyenoord-jaarboek 1972-1973. Hij legt het voor zich op tafel en bladert er gretig doorheen. ‘Kijk, dat ben ik! Ein netter Junge, niet waar?’ Attila grijnst breeduit en begint smakelijk te vertellen: in het Duits, doorspekt met Franse en Vlaamse woorden (‘boekske’), om af en toe een zin krachtig te besluiten met een Rotterdamse vloek. Gepassioneerd vertelt hij over zijn voetbalcarrière, die hem leidde langs Feyenoord, Anderlecht, Betis Sevilla, Kortrijk, Valenciennes, Toulouse en eindigde bij het Portugese Amarante (tweede divisie).  

OPVOLGER 
Als kind speelde Attila altijd op straat, onder de hoede van zijn grote broer. Hij was fan van Wolfgang Overath, nummer 10 en Flórián Albert, de Hongaarse spits. Vanaf zijn zeventiende kwam Attila drie jaar uit voor Tatabànya, waar later ook József Kiprich zou spelen. Daarna verkaste hij naar Vasas Boedapest, waar hij zich in de kijker speelde van de Hongaarse voetbalbond en werd uitgenodigd voor de Olympische ploeg. Toen nam hij het besluit dat zijn leven op zijn kop zette. ‘Ik was 21 en speelde met de Olympische ploeg een wedstrijd in Luik. Ik besloot na afloop in het westen te blijven.’ 

Hoe ging dat? Had je dat vooraf bedacht?
‘Nee, na afloop van de wedstrijd gingen we kaarten in het hotel en daar was een Hongaar, die in Brussel woonde. Hij schepte op hoe goed het leven daar was. Dat zette me aan het denken. Impulsief besloot ik mijn kans te wagen.’

Stilletjes, met honderd dollar op zak, verliet Attila het hotel in Luik en reisde naar Duitsland. Tien dagen lang durfde hij niet naar huis te bellen, omdat hij wist dat de geheime politie zou meeluisteren. Het waren de zwaarste dagen van zijn leven; hij had gebroken met zijn familie en vrienden. ‘Ik was een réfugié politique, een politieke vluchteling, en stond er nu alleen voor. De tiende dag slaagde ik er in om mijn moeder via een publieke telefooncel te spreken.’ Attila strijkt met twee vingers langs zijn wang om de tranen te tonen die bij hem en zijn moeder begonnen te stromen.

Wanneer heb je je ouders weer gezien?
‘Vijf jaar later pas. Toen kwam mijn moeder over naar Sevilla. Ik speelde daar bij Betis.’ Opnieuw maakt Attila het gebaar van de tranen. ‘Mijn vader bleef achter in Hongarije. De politie was bang dat ze ook zouden vluchten, dus mocht er maar eentje naar het buitenland.’ 

Die eerste weken in Duitsland beproefde Attila zijn geluk bij Rot Weiss Essen, de club waar Nederlander Willy Lippens furore maakte. Hij trainde keihard om over een puike conditie te beschikken. Aan wedstrijden kwam hij niet toe, omdat de Hongaarse bond een speelverbod had afgedwongen tot 1 januari 1972. En toen was er ineens een telefoontje van Ernst Happel: ‘Unglaublich, de trainer van dat grote Feyenoord, de beste club in Europa. Met al die fantastische spelers: Van Hanegem, Israël, Wim Jansen, Hasil, Wery...’

De Oostenrijkse trainer was op zoek naar een opvolger voor Coen Moulijn, die aan zijn laatste seizoen bezig was en nodigde de linksbenige Ladinsky uit voor een proeftraining. De belangrijkste test was om duels met Israël en Laseroms te overleven. Attila veert op om dat verhaal smeuïg te vertellen en laat met zijn handen zien hoe hij door IJzeren Rinus en Theo de Tank werd gemangeld: ‘Ik vloog alleen maar door de lucht, boemboem, en daar ging ik weer. Drie minuten lang hing ik in de lucht, maar toen dacht ik: Godverdomme, deze Hongaar zal ‘ns laten zien wie hij is. Dat ging goed. Ik heb het overleefd.’ Attila grinnikt. ‘Vijf minuten later zei Happel: “Oké, je krijgt een contract.”’

Op 22 februari 1972 debuteert Attila in De Kuip tegen Sparta Praag. Alles lukt die avond. Het publiek is verrukt. Hij scoort tweemaal, waaronder eenmaal met buitenkant links à la Cruijff. De ander is een snoeiharde kopbal, ook een specialiteit van de Hongaar. Over die beginperiode zegt Attila: ‘Happel was een grote, slimme trainer. Na drie wedstrijden zei hij: “Ik wil je uitproberen als ‘centervoor’. Nummer negen!” ‘De eerste keer was tegen Groningen. Ik maakte twee goals. Daarna ben ik altijd ‘centervoor’ geweest.’ 

TOPSCORER
Zo dacht Feyenoord in 1972 een opvolger voor Ove Kindvall in huis te hebben, maar Attila presteerde wisselvallig en had wat pech met blessures: tegen Haarlem brak hij een jukbeen. Toen hij weer in vorm raakte was er het auto-ongeluk. Zonder rijbewijs reed hij in Zwijndrecht een paar honderd meter in zijn onverzekerde BMW en knalde tegen een lantaarnpaal. Resultaat: de auto total loss en Attila had zwaar gekneusde ribben, waardoor hij niet kon spelen in de belangrijke wedstrijden tegen Benfica en Ajax. Happel was er niet blij mee. Dat was april ’72.

Attila’s manager - de beroemde Bekeffy - ging op zoek naar een nieuwe club. Even leek het erop dat hij naar Ajax zou gaan. De Roemeense trainer Kovács had een voorhoede Rep-Cruijff-Ladinsky voor ogen, maar daar stak manager Brox een stokje voor. Attila mocht absoluut niet naar de grote rivaal. Het werd Anderlecht. Zijn Brusselse avontuur begon als een sprookje. Hij had drie dagen met Anderlecht getraind en mocht de bekerfinale spelen tegen Standard Luik. Attila scoorde tweemaal en Anderlecht pakte met 2-1 de beker. 

‘Dat was op 27 mei,’ zegt Attila met glimmende oogjes en hij zuigt aan het rietje dat in zijn limonade steekt. ‘Ik was de opvolger van Jan Mulder. Het was een prachtteam met Rensenbrink op links, en achter mij Pol van Himst.’ Het seizoen erop beleefde Attila zijn topjaar, schoot er 22 binnen en werd topscorer van België. Anderlecht werd kampioen. ‘Ik was populair: ‘Un, deux, trois, Attila est là!’ zong het publiek. Na Brussel heb ik drie magnifieke jaren in Sevilla gehad. Ik maakte een paar belangrijke goals, waarover ik nog jaarlijks word geïnterviewd. Zoals die ene in Bernabeu. Real Madrid-Betis 0-1. Betis had 56 jaar daar niet gewonnen. Ik scoorde met een fraaie kopbal en was zo blij. Ik maakte een koprol, had ik nog nooit gedaan. Honderdduizend mensen waren stil, maar twintig seconden later hebben ze toch geapplaudisseerd.’

Attila heft de handen ten hemel. Bruine twinkelogen. Brede grijns. ‘Sevilla was magnifique, formidable. Altijd zon. Na mijn carrière ben ik er een nachtclub begonnen, maar dat ging mis. Mijn vriendin Chantal is toen met onze dochter naar Brussel vertrokken.’ Mistroostig schudt hij het hoofd. ‘Ach, soviel blödsinn.’ 

Heb je ergens spijt van?
‘Hmm, het leven is niet altijd zonnig, he.’ En dan vertelt hij dat hij graag langer bij Anderlecht was gebleven, maar hoe het in Brussel misging met zijn Duitse vrouw Karin, die hij nu Schwester von Hitler noemt. Ze waren In Rotterdam getrouwd, aan de bar van Hotel Astoria, maar in Brussel was de liefde tussen hen bekoeld: hij had al een andere vriendin, de Vlaamse Chantal. Attila kijkt ons doordringend aan. ‘Unglaublich! Om vijf uur in de ochtend stond de politie voor mijn deur. Er was een advocaat bij. “Sie sind alleine?” vroegen ze. Ik zei: “Ja, natürlich!” Chantal had zich snel in de logeerkamer verstopt. De politieagenten voelden aan mijn lakens of de plek naast mij warm was. Daarna onderzochten ze mijn huis en ontdekten Chantal. “O,” zei ik. “Helemaal vergeten. Dit is de poetsvrouw. Ze is blijven slapen, want het was te laat om naar huis te gaan.” Dat verhaal ging er niet in. Chantal woonde vijf huizen verder in de straat.’

Attila schudt maar weer ‘ns het hoofd. ‘Het verhaal gaat door. Ik was drie dagen met Anderlecht weg voor een Europacup-wedstrijd. Ik kwam donderdags thuis. Alles was weg! Ook de Louis Quatorze-meubelen waarin ik handelde. Het hele appartement leeg! Toen heb ik haar opgezocht, en zei: “Karin, we moeten divorzieren. Eh... Scheiden. Ik heb die Schwester von Hitler sinds 1978 niet meer gezien. Absurd. Ze woont nog steeds in Brussel als Karin Ladinsky.‘ Hij schudt zijn hoofd: ‘Aja, compliziert la vida.’ 

PENSIOEN
Sinds zeventien jaar woont Attila weer in Boedapest, waar zijn Hongaarse vriendin een modewinkel heeft en het inkomen voor hen beiden verdient. ‘Ik wacht al twee jaar op mijn pensioen, maar in Hongarije hebben ze mij tod verklaard. Ze nemen het me nog steeds kwalijk, dat ik in 1971 ben gevlucht. Bij de tv word ik nooit gevraagd om commentaar te geven. Niemals. Ik ben een zwart schaap hier.’   

Doet dat pijn?
‘Ja, dat doet weh.’ Even kijkt hij bedrukt, maar al snel beginnen zijn ogen weer te stralen: ‘Ich bin grootvader, verdomme. Jullie zitten hier met een grootvader aan tafel.’ Hij slaat met zijn vuist op tafel. ‘En driemaal, hè! Ik heb drie kleinkinderen. Ze wonen in Brussel bij mijn dochter Cindy. Het zijn twee meisjes en een jongen. Hij is vijf jaar. Ik wil dat hij bij Anderlecht gaat voetballen.’ 

Ruim twee uur is Attila aan het woord geweest. Het is inmiddels lunchtijd. Hij bestelt voor ons goulashsoep en bier, maar blijft zelf limonade drinken. Terwijl we de soep naar binnen lepelen, wijst hij op een foto op het prikbord van het café. Daar staat de grijze Ladinsky in zijn witte linnen pak naast David Beckham. Attila vertelt over de achtergrond van de foto: ‘Ik werd gebeld door Butragueño, toentertijd de president van Real Madrid. Hij kent me nog van mijn Spaanse periode en vroeg of ik ter ere van Puskás een wedstrijd wilde organiseren tussen Madrid en het Hongaarse elftal. Puskás leefde toen nog. Als dank heb ik een gouden horloge van Madrid ontvangen. Is toch netjes, hè?’

Volg je het voetbal nog?
Natürlich! Ik kijk ‘s maandags in de kranten eerst naar de uitslagen van de clubs waar ik gespeeld heb. Dus ook naar Feyenoord. Het gaat goed, hè? Doe ze de groeten in Rotterdam. Ik heb nog steeds contact met Gerard Meijer, Henk Wery. Met nieuwjaar krijg ik berichtjes van hen. Goede vriend, Henkie. Dat doet me goed. Ja, ik ben sehr stolz dat ik bij Feyenoord heb gespeeld.’

Tekst: Jan van der Mast
Beeld: Nationaal Archief