Fanshop
Fanshop

OOK ADVOCATEN FEYENOORD FEL IN HUN VERWEER

Ook de advocaten, die Feyenoord verdedigen tijdens de behandeling van wat men in de volksmond ‘de FIOD-affaire’ noemt, hebben vanmiddag - in navolging van de advocaten van Van den Herik eerder deze dag - tijdens hun pleidooi onomkeerbaar en fel laten blijken dat elke verdere vervolging achterwege dient te blijven. Mr. Mentink vindt dat er voor een strafzaak absoluut geen plaats is, omdat er gebrek is aan een redelijke verdenking.
‘Het blijft voor Feyenoord’, aldus Mentink, ‘onbegrijpelijk dat een in haar ogen zakelijke discussie ontaardt in een strafzaak.' Hierdoor volgt een uittreksel van de pleitnota van mr. Hans Mentink, die samen met mr. Van Liere de verdediging van Feyenoord voert: 1. Hoe een fiscaal boekenonderzoek geruisloos overging in een strafzaak De belangstelling van de belasting ging in 1997 uit naar loonbelasting en omzet-belasting (met name de BTW op het privégebruik van auto’s) over de jaren 1992-1996. Feyenoord is bij het controle-onderzoek meer dan coöperatief geweest. In dat kader gaf Feyenoord de belastingdienst ongewild de gelegenheid volledige inzage te nemen in de spelersdossiers. De heer Van Dop heeft de controlerende belastingambtenaren – goed van vertrouwen – achtergelaten in de kamer met alle spelersdossiers. Het onderzoek nam circa 4 weken in beslag. Tijdens het onderzoek is aan Feyenoord een vragenlijst voorgelegd die Feyenoord op 6 november 1997 naar waarheid heeft beantwoord. Op 11 november 1997 is de vragenlijst besproken. Na deze bespreking was voor Feyenoord onduidelijk of het onderzoek naar de periode 1992-1996 was afgerond. Van Dop heeft enkele malen telefonisch contact gezocht met de heer Conijn om te vragen wat de stand van zaken was. Ook nadat Feyenoord net als andere betaald voetbalorganisaties bij de inspectie Utrecht was ondergebracht heeft Van Dop nog enkele malen contact gehad met de inspectie over deze kwestie (meestal in de marge van een gesprek over een door Feyenoord gewenst uitstel van betaling). In het totaal is er na de bespreking van 11 november 1997 circa 5 keer contact geweest tussen Feyenoord en de belastinginspectie over het boekenonderzoek over de jaren 1992-1996. Nooit werd Feyenoord (financieel manager Van Dop) een duidelijk antwoord gegeven. De op 13 oktober 1998 met 9 man uitgevoerde huiszoeking (waar ik bij werd geroepen) kwam dan ook als een volslagen verrassing. De eerste - verontwaardigde - reactie van Van Dop bij de inval was dan ook ‘Wat komen jullie doen? Wij zijn toch nog met de fiscus in gesprek.’ Bij het in het kader van de huiszoeking gedane verhoor leek de belangstelling van de FIOD uitsluitend uit te gaan naar de spelers Vidmar en Cruz (andere spelers dan die waarover de fiscus tijdens de controle vragen had gesteld). Over Allotey en Gyan werd bij huiszoeking in het geheel niet gesproken. Thans staat vast dat bij de huiszoeking de ordner met de gegevens betreffende de transfer van Allotey en Gyan in beslag is genomen. Zoals mr. Van Liere nader uiteen zal zetten, is de boekencontrole op naleving van de belastingwetgeving - achteraf bezien - geruisloos overgegaan in een opsporing van strafbare feiten en is de fiscus, toen die eenmaal het geval was, bij het onderzoek naar strafbare feiten blijven verhullen in het kleed van een boekencontrole. Blijkens het verhoor van belastingambtenaar Conijn van 16 mei 2000 (p. 7) heeft hij al tijdens het controleonderzoek contact gehad met een FIOD-ambtenaar. De Officier van Justitie verkneukelde zich bij de huiszoeking zichtbaar. Hij vond het zelfs nodig aan de manager in- en externe betrekkingen van Feyenoord te melden dat hij géén Feyenoordsupporter was. II De discussie met de fiscus Op 23 november 2000 heeft Feyenoord een aanslag loonbelasting/premie volksverzekering over het beweerdelijke aan Vidmar betaalde tekengeld ad BEF 29.300,00 ontvangen van NLG 2.396.593 vermeerderd met heffingsrente ontvangen inzake de komst van Vidmar. Daartegen is een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is op 14 februari 2002 afgewezen. Momenteel loopt er een beroepsprocedure. Daarover zal de belastingrechter t.z.t. beslissen. Het blijft voor Feyenoord onbegrijpelijk dat een in haar ogen zakelijke discussie met de fiscus is ontaard in een strafzaak. De discussie over de vraag of Feyenoord loonbelasting had moeten afdragen over het gedeelte van de transfersom dat de speler van Standard Luik ontving behoort in de optiek van Feyenoord niet op deze plaats te worden gevoerd. Dat is een kwestie waarover in laatste instantie niet de strafrechter maar de belastingrechter behoort te beslissen. Het is - zoals in deze strafzaak zal blijken - geen zwart-wit discussie. De scheidend rechtbankpresident mr. R.C. Gisolf van de Rechtbank Amsterdam heeft in een interview met NRC-Handelsblad op 28 september er op aangedrongen om ‘zuinig te zijn met het strafrecht’ o.a. in belastingkwesties. Niet blijkt dat het OM zich daar iets aan gelegen laat liggen in de onderhavige zaak. III De afspraken tussen Standard Luik en Vidmar Zoals de raadslieden aan de heer Van den Herik terecht hebben aangegeven, is om te kunnen stellen dat Feyenoord een onjuiste aangifte heeft gedaan eerst helderheid nodig omtrent de contractuele verhouding tussen Standard Luik en de speler. Het rapport ‘Fiscaal-technische aspecten van de transfer van A. Vidmar’ d.d. 28 mei 1999 van de belastingdienst getuigt van een grote vooringenomenheid. Het gaat geheel voorbij aan de contractuele afspraak die er lang voordat Feyenoord in beeld kwam tussen Standard Luik en Vidmar bestond; het rapport karakteriseert het aan Vidmar toegevallen deel van de transfersom op losse grond als ‘tekengeld’. Zowel in het contract van 12 december 1994 tussen Standard Luik en de aan Vidmar gelieerde vennootschap Mayflower als in de overeenkomst tussen Standard Luik en Vidmar van 17 januari 1995 is er sprake van dat een deel van de toekomstige transfersom aan de speler zal toevallen. (Deze verplichting van Standard Luik jegens Vidmar is door de Hongaarse vennootschap Ideak overgenomen in de overeenkomst van 21 juni 1995.) Volstrekt ten onrechte wordt in de verklaringen van de belastingambtenaar Conijn (zie proces-verbaal, 8 mei 2001, blz. 5) de afspraak in een kwaad daglicht geplaatst. Gesuggereerd wordt dat het om een ‘constructie’ ter vermijding van loonbelasting zou gaan. Een dergelijke afspraak is ook in Nederland de normaalste zaak van de wereld. Feyenoord heeft momenteel 25 selectiespelers onder contract. Met 9 van hen (d.w.z. ruim 33%) heeft Feyenoord de contractuele afspraak dat zij bij een transfer een percentage zullen ontvangen van de transfervergoeding. Meestal is dat een percentage van het bedrag dat de gedane investering (het door Feyenoord destijds aan de ‘verkopende’ club betaalde transferbedrag) overstijgt. Bij spelers die Feyenoord transfervrij heeft gekregen of waarvan de gedane investering inmiddels is afgeschreven gaat het om een percentage over de volle opbrengst. Met name makelaars van buitenlandse spelers plegen een dergelijke afscheidsregeling te bedingen. Het spreekt voor Feyenoord vanzelf dat zij bij transfer van deze 9 spelers over het deel dat de betreffende speler van de transfersom ontvangt loonbelasting zal moeten afdragen. IV Opzet? De raadslieden van Van den Herik hebben er terecht op gewezen dat volgens de zg. ATV-richtlijnen een fiscale kwestie slechts aan het O.M. kan worden overgedragen als er sprake is van opzettelijk handelen van de belastingplichtige. Daarvan is in casu geen sprake. Voormalig directeur Algemene Zaken van Feyenoord, mevrouw N.M. Edelenbos, heeft op 16 augustus 1999 tegenover de FIOD verklaard ‘Van den Herik was en is altijd nauw betrokken geweest bij de onderhandelingen met nieuwe spelers’. Daarmee wordt de indruk gewekt dat Van den Herik zich met alle details van transfers zou bemoeien. Met deze - wellicht door rancune ingegeven -- verklaring (Edelenbos is met ruzie bij Feyenoord vertrokken) wordt de indruk gewekt dat Van den Herik zich met alle details van een transfer bezighoudt. Uit mijn jarenlange ervaring als commissaris van Feyenoord met Van den Herik weet ik dat niets minder waar is: Van den Herik heeft de gewoonte voor wat betreft de juridische en fiscale kanten van een spelerstransfer volledig op het advies van deskundigen te vertrouwen. Van den Herik pleegt zich met de transfer alleen te bemoeien voor zover het bedrag van de te plegen investering betreft en de hoogte van het salaris. Hij heeft zich nog nooit bemoeid met fiscale aspecten van een transfer. Daar heeft hij zijn externe deskundigen voor. Dat was ten tijde van de transfer-Vidmar BDO CampsObers. Van den Herik heeft bij de transfer van Vidmar geen enkel initiatief genomen om de transfer op een bepaalde wijze geregeld te krijgen. Het advies van Burggraaf is zonder enige inblazing van Feyenoord totstandgekomen. Feyenoord heeft adviseur Burggraaf niet misbruikt ter verkrijging van een fiscaal alibi. Hij heeft het advies van BDO CampsObers afgewacht en – in goed vertrouwen – het fiscaal advies van 1 juni 1995 opgevolgd, waarin Burggraaf en Krabbendam van BDO CampsObers voor wat betreft de vraag of een deel van de transfer (netto) bij de vennootschap van Vidmar (Mayflower) zou binnenkomen zeggen: ‘Dit lijkt ons echter meer een vraag voor Standard/Vidmar, omdat zij dat contract toentertijd hebben afgesloten.’ Zoals uit de afgelegde verklaringen blijkt, heeft Van den Herik zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat de wens van Vidmar om US$ 1 miljoen netto te ontvangen ingeval van een transfer naar Feyenoord in Nederland fiscaal niet mogelijk was. Van den Herik heeft Burggraaf gevraagd de fiscale aspecten van de transfer rechtstreeks met de vertegenwoordiger van Standard Luik/Vidmar (De Vries) te bespreken. Aldus is geschied. Het resultaat van dit overleg is op zijn minst fiscaal pleitbaar. Voor een strafzaak is derhalve geen plaats. Bij gebreke van een redelijke verdenking dient vervolging dan ook in het geheel achterwege te blijven.