Fanshop
Fanshop

OFFICIER VAN JUSTITIE VINDT VERWEER ONGEGROND

Officier van Justitie Staa verklaarde aan het einde van de eerste dag van de behandeling van de FIOD-zaak een niet-ontvankelijkheid onbegrijpelijk te zullen vinden. Hij kon zich aan de hand van het volgens hem secure voortraject niet voorstellen dat het college van rechters tot een vroegtijdig einde van de behandeling zou beslissen. Het besluit van het wel of niet doorgaan van de strafzaak valt morgenochtend bij de start van de tweede dag.
De Officier van Justitie vindt dat aan zijn niet-ontvankelijkheid hoge eisen gesteld dienen te worden en dat het beëindigen van een behandeling op grond van preliminaire verweren alleen toepasselijk is wanneer er sprake is van schending van algemeen belang en grove doelbewuste verontachtzaamheid. Ook de schending van de redelijke termijn, die de verdediging naar voren had gebracht, verwierp hij. ‘Hier ligt de bal zelfs op de helft van de verdediging’, aldus Staa. Het onbegrip bij de advocaten mr. H. Hertoghs en Mr. G. de Bont dat behalve de Stichting Feyenoord ook voorzitter Van den Herik in deze strafzaak betrokken is geraakt, verklaarde de Officier van Justitie als volgt: ‘Voor mij staat vast dat Feyenoord Van den Herik is en Van den Herik Feyenoord. Uit getuigenverklaringen van de voormalige directeur mevrouw Edelenbos is gebleken, dat Van den Herik zich met alle transfers bemoeide en eenzelfde verklaring heeft voetbalmakelaar De Vries afgelegd. Ik verdenk Van den Herik ervan dat hij opdracht heeft gegeven voor de feiten die hem nu verweten worden.' Staa vond evenmin het verwijt terecht dat Vidmar als kroongetuige had gediend. ‘Als ik aan kroongetuigen denk, denk ik aan de zaak van de Hakkelaar. Er zijn met Vidmar geen afspraken gemaakt op basis van de te vervullen condities.' Aan het begin van zijn betoog was de Officier van Justitie voornamelijk boos op advocaat mr. Hans Mentink, omdat hij in zijn verweer had betoogd dat Staa zich ten tijde van de inval vier jaar geleden had ‘lopen te verkneukelen’. Mentink was daar zelf getuige van geweest en sprak van ‘Staa’s finest hour’. ‘Dit verwijt werp ik verre van me’, aldus Staa, die eraan toevoegde de opmerking ongepast te vinden. ‘Ik heb op de avond van de inval een emotioneel gesprek gehad met Jan D. Swart. Hij was ontdaan door wat er die avond gebeurde. Hij zei: weet u wel wat dit betekent voor een club als Feyenoord, die toen bovenaan stond. Kent u de voetbalwereld, vroeg Swart mij. Toen heb ik geantwoord: mijn hart ligt elders. Misschien was dat niet zo’n handige opmerking, maar ik vind het ongepast dat de heer Mentink dit nu in een verkeerde context gebruikt’.