|
|
|
In de jaren zeventig kregen bij Feyenoord de bestuurders langzamerhand andere ideeën over de manier waarop de eigen jeugdopleiding moest worden bestierd. Je kon eerste-elftalspelers kopen, zoals meestal gebeurde, maar je kon ze ook op jonge leeftijd opsporen en vervolgens zelf scholen. Dat was een stuk goedkoper.
Wim Jansen en Ben Wijnstekers waren prachtvoorbeelden van coryfeeën uit de eigen opleiding, maar tegelijkertijd werd beseft dat zij Feyenoord in de schoot waren gevallen. Jansen meldde zich uit eigen beweging aan op Varkenoord en Wijnstekers speelde bij 'buurman' Overmaas. De club wilde voortaan minder afhankelijk zijn van dat soort toevalstreffers. Daarom ging Feyenoord met scouts het land in om bij jeugdwedstrijden talentjes in het vizier te krijgen. Die aanpak leidde tot de komst van de 15-jarige Michel van de Korput. De amateur-speler van VCW Wagenberg, bij Breda, sprong in het oog als jeugdinternational. Voor hij in 1974 werd toegevoegd aan de A-selectie van trainer Wiel Coerver, had Van de Korput al heel wat uurtjes op Varkenoord achter de rug. Samen met drie andere Brabantse beloften werd hij vier keer per week met een busje naar Rotterdam gereden. Johan Sulkers, Herman Polak en Rini Plasmans zouden het in tegenstelling tot Van de Korput niet tot Feyenoord I en Oranje schoppen. Ze speelden wel elders betaald voetbal.
Ook voor trainers vormde Varkenoord in de jaren zeventig een halte op de weg naar een hogere orde. Clemens Westerhof, tijdens het WK'94 bondscoach van Nigeria, leerde er met bovenmodale voetballers te werken. Hetzelfde gold voor Theo Verlangen, later coach van FC Groningen, en Leo Beenhakker, die onder meer bekendheid verwierf als bondscoach van het Nederlands Elftal en trainer van Ajax en Real Madrid, voordat hij hoofdcoach werd van Feyenoord één.
Bron: o.a. Feyenoord Compleet, Waanders Uitgeverij
|
|
|
|
|