
Op 22 juli 1935 sloeg Feyenoord-aanvoerder Puck van Heel de eerste paal en kon de bouw beginnen. De uitvoering was in handen van aannemersmaatschappij Van Eesteren. De mensen van Brinkman en Van der Vlugt maakten maar liefst 750 bouwtekeningen, met de hete adem van de uitvoerders van Van Eesteren in hun nek.
Zo werd het stadion uit de grond gestampt, in een unieke samenwerking tussen tekenaars en uitvoerders. Foto's geven een schitterend beeld van de wijze waarop het samenspel van beton, staal en glas vorm kreeg en in de lege polder verrees.
Al op 23 juli 1936, een jaar en een dag nadat de eerste paal geslagen was, werd het stadion opgeleverd. De kosten bedroegen 1,2 miljoen gulden, voor die tijd een astronomisch bedrag, maar toch veel goedkoper dan de vijf miljoen die het Olympisch Stadion had gekost. Er werd in de Kuip met goedkoop materiaal gewerkt, terwijl de lonen laag waren door de economische crisis van de jaren dertig.
Het geld voor de bouw was behalve door Feyenoord opgebracht door particulieren, waaronder ondernemers als Van Beuningen. Diezelfde Van Beuningen zorgde ervoor dat het stadion daadwerkelijk geopend werd. Na de oplevering stond het stadion maar liefst acht maanden leeg, omdat er geen toegangswegen en parkeerplaatsen waren en de gemeente weigerde die te betalen. De invloedrijke Van Beuningen wist dat probleem binnenskamers op te lossen: Rotterdam kwam over de brug, met geld dat Van Beuningen zelf aan de gemeente had geleend.