
Wat waar is, is waar: Feyenoord is in de eerste plaats de volksclub waarvan de supporters een nederlaag weten te verkroppen zolang hun helden zich maar het zwart voor de ogen hebben gewerkt. Goed voetbal is belangrijk, maar een onberispelijke inzet is een eerste vereiste. Het is dus niet zo vreemd, dat no nonsensvoetballers als Theo Laseroms en John de Wolf in hun beste dagen een immense populariteit genoten bij het Legioen. Theo de Tank stal in het seizoen 1969/70 definitief aller harten, toen hij tijdens de uitwedstrijden voor de Europacup I bij Vorwarts Berlin en Legia Warschau met de ene na de andere sliding telkens weer de bal veroverde. Meterslange glijpartijen maakte hij, eerst op een ijspiste en later in een modderpoel. Meedogenloos én met gevaar voor lijf en leden.
John de Wolf voelde zich niet te beroerd om in een duel bij PSV met een hoofdwond door te spelen. Nadat hij langs de lijn razendsnel een 'tulband' om het bebloede hoofd gewikkeld had gekregen, werd de stoere verdediger door het Legioen met een krachtige ovatie weer in het veld begroet.

Misschien werd in die paar tellen wel duidelijk wat een abstract begrip als het Feyenoord-gevoel precies inhoudt. Schier eindeloos is de rij stervelingen die zich in de loop der jaren het hoofd heeft gebroken over dat speciale gevoel. In 1970, drie dagen nadat Feyenoord de Wereldbeker had gewonnen, zagen Han van Gessel en Ferdinand Rondagh van de Volkskrant het zo: 'Een stuk van Feyenoords charme is zijn onbehouwenheid. Toen Rinus Israel woensdag met de Wereldcup over het veld draafde, droeg hij de kostbare trofee als een zak meel. De creatie van een sierlijk cortege is de Rotterdammers ook niet eigen...'
Bron: o.a. Feyenoord Compleet, Waanders Uitgeverij